In memoriam Bart Crouwers

Met verslagenheid hebben we kennisgenomen van het overlijden van Bart Crouwers, oprichter en eigenaar van The Cranberry Company in de Krimpenerwaard. De afgelopen jaren heeft het NOBV met Bart samengewerkt ten behoeve van verkennende metingen aan cranberryteelt. We kennen hem als een gedreven en bevlogen ondernemer met een groot hart voor de streek, het landschap en de bewoners. Zijn ambitie was om in de Krimpenerwaard natuur meer ruimte te geven en te verbinden met nieuwe landbouw. We zijn hem dankbaar voor zijn betrokkenheid bij de ontwikkelingen in de veenweiden en zijn grote belangstelling en inzet voor onderzoek en innovatie. Wij zullen zijn kennis, enthousiasme en betrokkenheid missen en wensen zijn familie en vrienden heel veel sterkte.

Onderzoek naar broeikasgasemissies uit sloten

Naast metingen aan maatregelen zoals waterinfiltratiesystemen, natte teelten en klei in veen, en referenties, meet het NOBV ook broeikasgasemissies uit sloten. In 2022 en 2023 is er onderzoek gedaan in sloten Zegveld en Lange Weide. Dit jaar zal er gestart worden met nieuw onderzoek in Zegveld en rondom de Nieuwkoopse Plassen. Aan de hand van verschillende meetmethodes wordt er door het jaar heen de broeikasgasuitstoot uit sloten gemeten. Voor de uitvoering van het onderzoek is door de Radboud University nieuwe, innovatieve apparatuur ontwikkeld. Tot nu toe werd er 1 keer per maand overdag (diffuse flux metingen) gemeten. Inmiddels heeft de Radboud Universiteit drijvende apparatuur ontwikkeld die is voorzien van een automatisch kamersysteem voor het meten van CO2 – en CH4 -fluxen en een bubbletrap voor het meten van ebullitie. De nieuwe apparatuur zal 24/7 draaien dus heel veel extra inzichten brengen, zoals dag/nacht ritmes en meer betrouwbare emissie factor schatting. Deze automatische kamers ondergaan nu de laatste testen en de verwachting is dat deze eind mei kunnen worden ingezet.
Ook zijn er sensoren ontwikkeld die continu de opgeloste CO2 en CH4 in het water meten. In het onderzoek wordt er ook gekeken naar de relatie tussen de broeikasgassen en biogeochemische processen in de sloot. Naast metingen met betrekking tot broeikasgasemissies worden er ook andere metingen uitgevoerd, zoals baggerhoogte metingen en analyses van het (porie)water. Daarbij wordt gezocht naar sturende factoren voor de broeikasgasemissie. De eerste resultaten van het onderzoek naar emissies uit sloten zullen na de zomer worden gepubliceerd.

Effect van vernatting op afbraakprocessen in de veenbodem

Wat is het effect van vernatting van veen op afbraakprocessen in de bodem? Recent zijn vanuit het NOBV twee wetenschappelijke artikelen gepubliceerd in het vakblad Geoderma die op deze vraag ingaan. Het eerste artikel, van PhD student Jim Boonman en NOBV collega’s, ging in op het gebruik van de redoxpotentiaal als proxy voor de afbraakprocessen die in de bodem plaatsvinden. Het tweede artikel, van B-WARE onderzoeker Sarah Faye Harpenslager en NOBV collega’s, gaat over het effect van vernatting op de chemie van het poriewater in de bodem, wat een directe indicatie is van deze afbraakprocessen. Dit artikel is gebaseerd op de uitgebreide metingen aan de poriewaterchemie die de afgelopen 3,5 jaar binnen het NOBV zijn uitgevoerd. Daarbij zijn op zo’n 8 tot 10 momenten per jaar op vier locaties in het veenweidegebied metingen uitgevoerd, op zowel een perceel met WIS als een referentieperceel. Dit gebeurde op drie verschillende dieptes en op verschillende afstanden van de drains (in geval van een WIS-systeem).

De metingen tonen aan dat op de percelen met de WIS-systemen waar de grondwaterstand in de zomer hoger en jaarrond stabieler was, anaerobe afbraakprocessen in de veenbodem domineren. Onder deze zuurstofloze condities werden andere (alternatieve) elektronenacceptoren gebruikt dan zuurstof. Dit zijn bijvoorbeeld nitraat, ijzer en sulfaat. Afbraak van organisch materiaal middels deze alternatieve elektronenacceptoren levert minder energie op voor microben dan afbraakprocessen met zuurstof. Hierdoor gaat de afbraak onder anaerobe condities langzamer dan de afbraak in aanwezigheid van zuurstof, waardoor de CO2-emissies zullen afnemen.

Op de referentiepercelen zonder WIS-systeem waren de fluctuaties van de grondwaterstand daarentegen aanzienlijk, met lage grondwaterstanden in de zomer (60-100 cm-mv) en hoge grondwaterstanden in de winter (0-20 cm-mv). Hierdoor domineerden aerobe afbraakprocessen tot een diepte van 50-75 cm-mv ten tijde van de laagste grondwaterstanden. In de herfst en winter, wanneer de bodem natter wordt, ontstaan opnieuw anaerobe condities waarbij alternatieve elektronacceptoren worden benut.

De twee artikelen geven gecombineerd een goed beeld van het effect van WIS-systemen op afbraakmilieus in de veenbodem. Door een stabielere en hogere grondwaterstand zorgden de WIS-systemen voor meer anaerobe condities in ondiepe bodemlagen (45 cm-mv). Vernatting leidt daardoor tot een langzamere afbraak en daarmee tot minder CO2-emissies. Uit het NOBV onderzoek blijkt echter ook dat bij verregaande vernatting (grondwaterstanden boven de 20 cm onder maaiveld) methaanemissies toenemen. Onder sterk anaerobe omstandigheden wordt namelijk methaan gevormd, welke bij zeer hoge grondwaterstanden kan ontsnappen naar de atmosfeer.

De twee typen metingen die in de artikelen worden geanalyseerd vullen elkaar goed aan en helpen om de bodemprocessen te monitoren. Het gebruik van redoxsensoren, zoals in het artikel van Jim Boonman en collega’s, heeft het voordeel dat ze continue meten en relatief goedkoop zijn ten opzichte van de arbeidsintensieve metingen aan de chemie van het poriewater. Om de redoxmetingen goed te kunnen interpreteren op een bepaalde locatie zijn echter ook de chemiemetingen voor een bepaalde tijd noodzakelijk voor validatie. Op basis van deze inzichten kan een optimale meetstrategie worden gezocht in het vervolgonderzoek.

 

Emissies van methaan uit het veen

Het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden doet niet alleen onderzoek naar CO2-emissies uit het veen, maar ook naar de emissies van de broeikasgassen lachgas en methaan. Om te ontrafelen welke factoren een rol spelen bij de vorming van methaanemissies is het NOBV op verschillende locaties in 2020 en 2021 begonnen met metingen met behulp van Eddy-Covariance masten. De eerste locatie was het lisdoddeveld in Zegveld, ondertussen zijn daar meerdere locaties bijgekomen. Op dit moment hebben we acht locaties waar met EC-masten continu aan methaanemissies wordt gemeten (drie sites met natuurlijke vegetatie, twee sites met lisdoddes, twee sites met waterinfiltratiesystemen op grasland en een nat grasland). Daarnaast zijn er mobiele metingen.

Waarom is het belangrijk om inzicht te krijgen in methaanemissies uit veenweiden? Methaan onderscheidt zich van CO2 door een relatief korte levensduur in de atmosfeer (het wordt in de atmosfeer uiteindelijk weer afgebroken naar CO2), maar een sterk opwarmende werking. Over een tijdsperiode van 100 jaar heeft methaan een global warming potential van 27 CO2-equivalenten, wat betekent dat het opwarmend effect 27 keer sterker is dan dat van CO2. Er wordt vaak gezegd dat methaanemissie minder erg is, omdat het sneller wordt afgebroken in de atmosfeer. Daar is echter al rekening mee gehouden in die factor van 27 CO2-equivalenten over 100 jaar. Over een periode van 20 jaar is methaan een 80 keer sterker broeikasgas dan CO2. Een toename van de jaarlijkse methaanemissie heeft dus op de korte termijn een relatief sterk effect op de opwarming, een afname van de jaarlijkse emissie zorgt voor een relatief grote beperking van de opwarming. Een CO2-toename zorgt voor een meer langdurige opwarming. Daarom is het belangrijk bij het effect van klimaatmaatregelen in veenweiden ook methaan mee te nemen in de broeikasgasbalans. Hetzelfde geldt voor het broeikasgas lachgas, dat 273 keer sterker is dan CO2 en qua afbraaksnelheid vergelijkbaar is met CO2.

Bij vernatting van veenweidepercelen wordt de kans op methaanemissies groter. Op basis van de metingen tot nu toe blijkt dat methaanemissie toeneemt bij waterstanden boven 20 cm-mv. Een verklaring hiervoor is dat in het verzadigde gedeelte van de veenbodem methaan wordt gevormd via zuurstofloze afbraakprocessen, welke in de onverzadigde zone weer wordt afgebroken tot CO2. Wanneer deze onverzadigde zone dun is, of afwezig, door hoge (grond)waterstanden kan methaan niet volledig worden afgebroken en ontsnapt het naar de atmosfeer.

Niet alleen de grondwaterstand (en fluctuaties hiervan) speelt een rol bij de emissies van methaan. Daarnaast zullen ook factoren als vegetatie, type veen, eventuele bemesting, pH en temperatuur een rol spelen. In het NOBV proberen we de onderliggende mechanismen te ontrafelen en te bepalen op wat voor manier deze factoren een rol spelen. Een paar voorbeelden van vegetatie eigenschappen die invloed kunnen hebben op de methaanemissies zijn de holle stengels van bijvoorbeeld lisdoddes die gassen kunnen transporteren, of de symbiose van veenmos met methaan-etende bacteriën.

Metingen van methaan binnen het NOBV worden in de komende tijd gebruikt om de mechanismen achter de emissies te ontrafelen. Op veel plekken is nog slechts één volledig meetjaar beschikbaar om een jaarbalans voor op te maken (voor alle meetsites is dit gedaan over 2022, de balans van 2023 wordt dit voorjaar/zomer geanalyseerd). De metingen laten tot nu toe zien dat veel variatie mogelijk is in methaanemissies, zowel tussen locaties als tussen meetjaren. Bij de lisdoddes in Zegveld waren de emissies in 2022 rond de 12 ton CO2-eq per ha. In de natuursites lagen de emissies voor dat jaar tussen de 8 en 15 ton CO2-eq per ha.  Er wordt op dit moment gewerkt aan de definitieve getallen met hun foutmarges, welke binnenkort in een wetenschappelijk paper worden gepubliceerd. Een deel van de resultaten is ook gepresenteerd in het NOBV-webinar van 3 juli 2023.

Wat het netto effect is van de methaanemissies op broeikasgassen is afhankelijk van de totale broeikasgasbalans. Hierin worden ook de CO2-uitstoot, koolstofaanvoer en koolstofafvoer meegenomen. Op den duur komt hier ook lachgas bij. Komend jaar werkt het NOBV verder aan het opbouwen van mechanistisch begrip rondom de vorming van methaanemissies. Ook wordt er gewerkt aan het inbouwen van methaanvormende processen in het emissieregistratiesysteem SOMERS.

De redoxpotentiaal als indicator voor afbraakprocessen in gedraineerde veenbodems: een waardevolle tool bij het monitoren van vernatten

Afgelopen november hebben onderzoekers van het NOBV een nieuw paper gepubliceerd dat een belangrijke bijdrage levert aan onze kennis over broeikasgassen uit het veen!
In het onderzoek zijn de metingen van redoxsensoren op meetlocaties geanalyseerd en vergeleken met ander type metingen. Hieruit blijkt dat de redoxmetingen een goede indicatie geven van de afbraakprocessen die op verschillende dieptes, door het jaar heen, plaatsvinden in de veenbodem. De metingen kunnen niet alleen als aanwijzing worden gebruikt voor de aanwezigheid van zuurstof, maar wijzen ook op het voorkomen/plaatsvinden van andere afbraakprocessen zonder zuurstof. Door het gebruik van de sensoren is geleerd hoe deze bodemprocessen verschillen van locatie tot locatie en hoe deze processen veranderen bij vernattingsmaatregelen.

Het onderzoek toont aan dat redoxsensoren erg nuttig kunnen zijn bij het meten van de effecten van vernattingsmaatregelen op veenafbraak. Daarnaast is het mogelijk met vervolgonderzoek te werken aan relaties tussen de redoxmetingen en broeikasgasemissies. Wanneer we die relatie weten kunnen redoxmetingen op termijn de directe metingen van broeikasgassen, die zowel complexer als duurder zijn, deels vervangen.

De volledige publicatie is hier te vinden.

SOMERS 2.0: rekenregels, dashboard en webinar

In het NOBV is het registratiesysteem SOMERS (Soil Organic Matter Emission Registration System) ontwikkeld. SOMERS is in staat om voor veenbodems en moerige bodems in de kustvlakte de CO2-uitstoot te bepalen onder verschillende omstandigheden bij verschillend (water)beheer. In 2022 is SOMERS 1.0 opgeleverd. SOMERS 1.0 is een procesmodel, waarmee de CO2-uitstoot op perceelsniveau kan worden berekend door op basis van landelijke datasets over het weer, bodem- en perceelskenmerken aannames te maken over de afbraakcondities, zoals bodemvocht en bodemtemperatuur. Voor SOMERS 2.0 zijn zowel de modelconcepten als de kalibratie van het model aanzienlijk uitgebreid en verbeterd.

Rekenregels
Het registratiesysteem wordt gebruikt om de ontwikkeling van de broeikasuitstoot in het verleden te bepalen ten behoeve van monitoring, om de huidige uitstoot van Nederland te bepalen, en om de toekomstige uitstoot te bepalen onder gestandaardiseerde omstandigheden. Deze laatste toepassing zijn de rekenregels. De rekenregels op basis van SOMERS 2.0 zijn in december 2023 gepubliceerd en deze vervangen de rekenregels die zijn gemaakt met SOMERS 1.0. Doelgroep voor de rekenregels zijn partijen en organisaties die bij het bepalen van de strategie in het veenweidegebied een inschatting van de mogelijke effecten van maatregelen op gebiedsniveau willen berekenen.

Dashboard
Op basis van de rekenregels heeft het ministerie van LNV door Royal HaskoningDHV, in nauwe afstemming met het NOBV, het ‘Dashboard SOMERS 2.0 Rekenregels’ laten ontwikkelen. In dit dashboard zijn de rekenregels SOMERS 2.0 verwerkt. Het dashboard is bedoeld voor grondeigenaren en -gebruikers om op een eenvoudige manier (door middel van het aanklikken van percelen) inzicht te krijgen in de met de rekenregels berekende CO2-emissie van mogelijke maatregelen.

Rapportage en webinar
Binnenkort verschijnt de rapportage over SOMERS 2.0. Deze zal gepubliceerd worden op de website. Over de NOBV-resultaten tot nu toe zijn verschillende papers opgeleverd. De papers zijn hier te vinden.
Op maandag 29 januari 2024 organiseerde het NOBV een webinar over SOMERS 2.0, de rekenregels en het dashboard. In deze online bijeenkomst gingen we kort in op de nieuwe mogelijkheden die SOMERS 2.0 biedt, op de rekenregels en het dashboard en konden vragen worden gesteld aan de experts.

>> Kijk hier het webinar terug.

Meten aan moerasnatuur

Sinds dit jaar zijn twee natuurlocaties in Groningen, Onlanden en polder Camphuys, onderdeel van het NOBV. Op deze referentielocaties wordt de verwachte emissie bij dit landschap in kaart gebracht en wordt de opslag van koolstof onderzocht. In Onlanden en polder Camphuys werden al langer broeikasgassen gemeten door Wageningen University & Research. Daarover is eind 2022 een rapport verschenen.

De metingen aan deze jonge veenmoerassen worden de komende jaren voortgezet binnen het NOBV. Bij natte natuurprojecten op veen en moeraszones bestaat het risico op toenemende emissies van methaan (‘moerasgas’). Methaan heeft een veel sterkere broeikaswerking en zou de CO2-vastlegging weer deels teniet kunnen doen. Of dit risico van methaanemissies groot of klein is hangt af van verschillende factoren en daarom is meerjarig meten belangrijk om beter inzicht te krijgen in de emissies.

Ook op andere natuurlocaties vinden referentiemetingen plaats. In de Weerribben worden metingen gedaan aan moerasnatuur. In de Wieden wordt op het Duinigermeer gemeten hoeveel broeikasgassen er worden opgenomen en uitgestoten. Er worden CO2– en methaanfluxen gemeten en worden lokale metingen gedaan in de veenbodem en vegetatie om de gemeten fluxen beter te begrijpen. De kennis uit deze natuurlocaties geeft niet alleen inzicht in de potentie tot opslag van koolstof, maar helpt ook om emissies specifieker te kunnen voorspellen uit meer gedetailleerde factoren per wetlandtype.
> Kijk hier voor meer informatie over de NOBV-onderzoekslocaties.

Hoe staat het met klei in veen?

Het NOBV zal in Delfstrahuizen en in Zegveld metingen gaan doen aan CO2-emissies bij klei in veen. De start van de metingen was eerder gepland, maar het bleek nog lastig om locaties te vinden met geschikte klei-veencombinaties. Dat laat gelijk zien hoe pril de maatregel nog is. We werken hierin samen met het Veenweiden Innovatie Programma Nederland (VIPNL) zodat de maatregel zowel in de diepte als in de breedte wordt onderzocht. Voorbeelden hiervan zijn het monitoren van agronomische effecten en onderzoek naar de beste methodes van kleitoediening. Het gaat daarbij niet om het aanbrengen van een kleidek op het veen, maar om relatief kleine hoeveelheden klei (1-2 cm) die in de bodem worden gebracht, bijvoorbeeld door uitstrooien en natuurlijke inspoeling met neerslag of sproeien van een emulsie.

Tot nu toe zijn de effecten van de maatregel gedurende enkele jaren door onderzoekers van het Louis Bolk Instituut, Biont Research en de Universiteit Utrecht onderzocht in het lab met enkele soorten klei. In het veld zijn experimenten gedaan om te kijken of de kleideeltjes daadwerkelijk in de bodem te kunnen dringen. Dat bleek zo te zijn en ook was er in het lab een reductie van CO2-emissies te zien bij sommige klei-veencombinaties, al was er in één geval ook een toename te zien. Al met al wel reden genoeg om de maatregel verder in onderzoek te nemen. We weten echter nog heel veel niet. We weten bijvoorbeeld niet wat de werkingsmechanismen zijn die de reductie van veenafbraak door toevoeging van klei verklaren. Daarom weten we bijvoorbeeld ook niet welke combinaties van klei en veen het meest effectief zijn, of het om een tijdelijk effect gaat en of de maatregel te combineren is met andere maatregelen of niet. Er zijn wel een aantal hypotheses. Welke van deze werkingsmechanismen het belangrijkst zijn wordt onderzocht in het lopende onderzoek.

Een eerste mogelijk werkingsmechanisme is dat de klei een complex vormt met het organisch materiaal in het veen. Hierdoor is dit organisch materiaal niet beschikbaar voor afbraak. Een tweede mogelijkheid is dat de toevoeging van klei de poriën verstopt, waardoor deze beter water vasthouden en zuurstofindringing in de veenbodem wordt beperkt. Een derde hypothese is dat de toevoeging van klei invloed heeft op de microbiële populatie. Het is belangrijk om het dominante werkingsmechanisme te kennen zodat we ook kunnen inschatten in hoeverre de maatregel een tijdelijk of langdurig effect heeft op emissies en zodat we kunnen voorspellen welke kleitypes geschikt zijn. Er kunnen overigens nog meer werkingsmechanismen zijn en het kan ook om een combinatie van mechanismen gaan, waarvan het effect kan verschillen door verschillen in het type veen en het type klei, maar ook door andere locatieomstandigheden.

Het NOBV gaat met de inrichting van de twee nieuwe locaties nu dus ook in het veld meten aan klei in veen op percelen om te zien welke reductie er in de praktijk kan worden gehaald. Naast een grote meetsite voor praktijktoepassing wordt er ook een zogenaamd kleipalet aangelegd. Met dit kleipalet zullen verschillende soorten klei worden getest op werkzaamheid. Samen met het labonderzoek hoopt het consortium zo te achterhalen wat het werkingsmechanisme is, en welke kleitypen het meest geschikt zijn om te gebruiken. De maatregel heeft dus potentie, maar er zijn nog heel veel vragen en de maatregel is zeker nog niet bewezen effectief in het veld. Het is dus zeker te vroeg om de maatregel al in de praktijk uit te rollen. Bekijk hier het webinar over de maatregel klei in veen dat VIPNL en het NOBV begin dit jaar organiseerden.

Inzicht in effecten van maatregelen tegen broeikasgasemissies uit veenweiden

Verhoging van het slootpeil en infiltratie van graslandpercelen met water lijken geschikte instrumenten om de uitstoot van broeikasgassen door afbrekend veen te beperken. Dat is een van de voorlopige onderzoeksresultaten van het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV), uitgevoerd door een consortium van universiteiten en kennisinstellingen onder regie van de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA). Van andere maatregelen zijn nog te weinig gegevens beschikbaar om nu al uitspraken te kunnen doen over de effectiviteit. Het NOBV, gefinancierd door het ministerie van LNV, onderzoekt op verschillende locaties de effecten van waterinfiltratiesystemen, natte teelten en bodemaanpassing. Het NOBV levert ook een methodiek voor de monitoring op.

Van een simpele, of allesomvattende oplossing is geen sprake. De resultaten van het NOBV tot nu toe laten zien dat verhoging van het slootpeil en passieve en actieve waterinfiltratiesystemen in het algemeen effectief zijn als maatregel om broeikasgasemissies uit veengronden tegen te gaan. Tegelijk komt uit het onderzoek van het NOBV naar voren dat bij de uitstoot veel factoren een rol spelen, zoals bodemtemperatuur, bodemvocht, pH, het type gewas en de samenstelling van het veen. Ook blijkt uit onderzoek dat methaanemissies kunnen optreden bij vergaande vernatting van graslanden met grondwaterstanden boven 20cm onder maaiveld, bij natte teelten en natuurontwikkeling. Echter is het op dit moment nog te vroeg om hier goed onderbouwde uitspraken over te kunnen doen. Het eind 2019 gestarte NOBV loopt nog door tot in ieder geval 2024.

Meer informatie

De rapportage over het derde meetjaar is uitgesplitst in papers over verschillende onderwerpen. Een aantal papers is al gepubliceerd. Een aantal papers zijn in afwachting van wetenschappelijke reviewing nog niet gepubliceerd. Deze zullen gepubliceerd worden zodra de reviewing heeft plaatsgevonden.

Beschikbare deelrapporten, de samenvatting gebaseerd op alle papers en de stand van zaken notitie zijn hier te vinden.

Bekijk hier het webinar over de eerste resultaten van het NOBV.

Het NOBV maakte ook verschillende animaties die in beeld brengen hoe broeikasgassen uit organische grond ontstaan.

 

 

 

Veenafbraak modelleren op basis van bodemvocht en temperatuur

In oktober 2022 is het eerste wetenschappelijke NOBV artikel, getiteld “Cutting peatland CO2 emissions with water management practices”, geaccepteerd voor publicatie in het Journal of Biogeosciences. Het artikel bespreekt een nieuwe methode om veenafbraak te simuleren op basis van bodemvocht en temperatuur. Deze methode bood de mogelijkheid om onze veldmetingen van het effect van druk- en onderwaterdrainage (in 2020 en 2021) te extrapoleren naar andere situaties. Zo werd ontdekt dat slootwaterstandverhoging leidt tot CO2-uitstootreductie (wel afhankelijk van de slootafstand), net als het toepassen van onderwaterdrainage bij situaties met wegzijging en in droge meetjaren. De combinatie van waterinfiltratie en hoge slootpeilen is het meest effectief. Echter bleek ook dat onderwaterdrainage niet effectief is bij kwelsituaties – of sterker nog, dat het dan zelfs een negatief effect kan hebben. De hoeveelheid CO2-reductie die met onderwaterdrainage behaald kan worden hangt dus sterk af van de regionale grondwaterdynamiek en jaarlijkse droogte. Andere belangrijke conclusies van het onderzoek, bijvoorbeeld over de relaties tussen gemiddelde zomergrondwaterstand en CO2-emissie, zijn volgende maand te lezen in het Journal of Biogeosciences.

>> Lees hier de Nederlandstalige samenvatting van het artikel

>> Lees hier het artikel dat in Bodem verscheen over dit onderzoek

Meer weten over dit onderzoek van o.a. Jim Boonman (PhD student, Vrije Universiteit Amsterdam)? Klik hier door naar de nieuwsbrief van april 2021 waarin hij een toelichting gaf op zijn onderzoek.