De relatie tussen bodemdaling en CO₂-emissies ontrafeld
Hoe hangen bodemdaling en CO2-emissies in veenweidegebieden nou eigenlijk met elkaar samen? Vóór de start van het NOBV werden CO₂-emissies uit veenbodems vooral afgeleid uit de relatie tussen veenafbraak en bodemdaling. De redenering toen was logisch: bij veenafbraak verdwijnt koolstof uit de bodem en dat komt als CO₂ in de lucht. Minder koolstof betekent minder bodemvolume, dus bodemdaling. Omdat directe metingen van broeikasgasemissies destijds nog duur en complex waren, baseerden onderzoekers zich vooral op lange meetreeksen van maaiveldhoogte en grondwaterstand, zoals die in Zegveld.
Binnen het NOBV zien we inderdaad dat veenafbraak bodemdaling veroorzaakt. Maar andersom gaat die vlieger niet altijd op: niet alle bodemdaling komt door veenafbraak. Er spelen deels andere factoren een rol. Veenbodems zijn slap en kunnen onder hun eigen of bovenliggend gewicht samendrukken. Vooral als het veenpakket dik is kan dit tot veel bodemdaling leiden. Daarnaast vertonen ze krimp- en zwelgedrag, wat binnen een jaar tot centimeters beweging kan leiden. Vaak is een deel van de krimp onomkeerbaar, wat leidt tot bodemdaling. Ook kwel en wegzijging beïnvloeden de grondwaterstand en daarmee de verticale beweging van de bodem. Tenslotte beïnvloeden de opbouw en eigenschappen van de veengrond (bijvoorbeeld wel of geen kleidek) veenafbraak en bodemdaling. De relatie tussen al deze verschillende factoren wordt binnen het NOBV uitgebreid onderzocht.
CO₂-emissies worden vooral bepaald door de hoeveelheid en type koolstof in de bodem, het veentype, de mate van zuurstofindringing (bijvoorbeeld door ontwatering en de bodemstructuur), en temperatuur. De dikte van het veenpakket speelt hierin nauwelijks een rol. We hebben geleerd dat de bijdragen van de verschillende sturende factoren en processen die leiden tot bodemdaling verschillen van plek tot plek.
Ook varieert de relatie tussen bodemdaling en CO2-emissie in de loop van de tijd. Op korte tijdschalen, bijvoorbeeld direct na een peilverlaging of tijdens droge perioden, kan er sprake zijn van veel mechanische bodemdaling zonder dat dit direct gepaard gaat met evenredige CO₂-emissies. Op langere tijdschalen, zoals meerdere decennia, wordt deze relatie meer uitgesmeerd en stabiliseert zij. In het algemeen geldt dat hoe langer de beschouwde tijdsperiode, hoe betrouwbaarder en consistenter de relatie tussen bodemdaling en CO₂-emissie wordt. Deze tijdsafhankelijkheid van de relatie is in dit document nader beschreven.
Door dit complexe systeem is bodemdaling geen betrouwbare indicator voor de hoeveelheid CO₂-emissie. Een sterke bodemdaling hoeft niet samen te gaan met hoge emissies – en andersom. Zo heeft bijvoorbeeld de meetlocatie Vlist een van de hoogste CO₂-emissies van alle NOBV-sites, terwijl de bodemdaling daar relatief laag is. Binnen het NOBV wordt daarom gewerkt aan het verder verbeteren van bodemdaling- en emissiemodellen, waarbij expliciet gebruik wordt gemaakt van de inzichten uit het NOBV-onderzoek. Alle factoren die de broeikasgasemissie beïnvloeden worden meegenomen in het NOBV-onderzoek en zijn geïntegreerd in SOMERS.


